Geschiedenis spoorwegen
in en om
Roosendaal

 
 

De wagenwerkplaats Roosendaal

 
 
Vrij plotseling sloot per 1 maart 1979 de wagenwerkplaats van de NS in Roosendaal haar deuren. Sinds 1909 had deze afdeling (toen nog Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen) haar plek in de 'lage' loods van het gebouwencomplex op het tractieterrein aan de Bosstraat. Daarvoor had Roosendaal geen wagenwerkplaats, maar was deze in Vlissingen gevestigd.
Ofschoon het gebouwencomplex in Roosendaal al in 1906 was opgeleverd, bleef de 'lage' loods nog een kleine drie jaar leeg staan. Pas in 1909 werd er een wagenwerkplaats in gevestigd met voor een deel ook personeelsleden uit Vlissingen.
 
Dit bleef zo totdat in 1973 ook de 'hoge' loods voor het werk aan goederenwagens werd ingeschakeld. Dat was slechts mogelijk na de aanleg van een elektrische verwarming boven de zes sporen. De 'hoge' loods kon je eigenlijk nooit goed warm stoken. Alleen als er 's nachts een aantal stoomlocomotieven stonden die de nachtstoker bijhield, was het er in de winter enigszins uit te houden. Vandaar ook dat die loods na de ontstoming in 1958 slechts diende voor opslag van rollend materieel of restauraties van materieel voor het Nederlands Spoorwegmuseum.

Dat er na de boterham om twaalf uur 's middags een balletje werd getrapt door het personeel, kun je zien aan de goals links naast de 'hoge' loods. Voor de loods staan op 4 juni 1972 de locomotieven NS 2201, 2475, 2509 en 2455.
 
 
Overigens werden nog tot ver in de jaren zeventig op zon- en feestdagen alle in Roosendaal thuis zijnde locomotieven voor de 'hoge' loods geplaatst om van een welverdiende rust te genieten.
Voor de loods staan op 4 juni 1972 de locomotieven NS 2201, 2475, 2509 en 2455.
 
 
Tussen de 'hoge' en de 'lage' loods lag het kantoor. Enerzijds diende dat voor de tractiedepotchef en zijn personeel en anderzijds had hier ook de werkmeester van de wagenwerkplaats zijn verblijf. Waar de personeelsadministratie in het gebouw zat, kun je nog tot op dag van vandaag zien aan het kleine raampje, dat rechtsonder in het grotere raam zit. Wilde je 'belet' vragen voor een bezoek aan een arts of kwam je je loon ophalen, dan moest je op dat raampje kloppen, zodat een van de kantoorbedienden van zijn stoel kwam en het raampje opendeed om je te woord te staan.
 
 
De 'hoge' loods heeft zes sporen, een lengte van 60 meter en een breedte van 35 meter. De 'lage' loods telt twee sporen, een lengte van 85 meter en een breedte van 25 meter. De gevel van deze loods is verdeeld in twee kopspanten en acht tussenspanten.
 
 
De muur aan de zuidzijde van de 'lage' loods droeg tot het laatst toe in 1979 een groot bord met daarop de bestemming. Dit hing er sinds 1970, nadat de NS het oude logo had ingeruild voor een nieuw. Dat logo is overigens nog tot op de dag van vandaag in gebruik, maar inmiddels ook al vijftig jaar oud.
 
 
Bij de wagenwerkplaats staan allerlei wagens te wachten op reparatie of aanpassingen. Gezicht vanaf de overweg in de Lepelstraat. In de verte links is nog juist de Sint Antoniuskerk aan de Brugstraat te zien, afgebroken in 1977. Tussen de portaalmasten van de bovenleiding staat het restant van de voormalige locomotievenloods van de HIJSM, die in 1943 door een bombardement zodanig werd vernield dat herstel niet meer lonend was. Slechts het gedeelte met kantoorruimten en personeelslokalen bleef staan tot eind 1998. Vele decennnia was het gebouw in gebruik als oefenruimte voor de Bedrijfszelfbescherming (Bzb). Ervoor staat het bordes met de drie inrijseinpalen voor het emplacement.
 
 
Een kijkje op de achterzijde van de wagenwerkplaats. In vergelijking met het fragment van de emplacementstekening uit 1931 is het noordelijke kopspoor uit de wagenwerkplaats inmiddels verlengd tot aan de Lepelstraat.
 
 
Fragment van de emplacementstekening uit 1931. De wagendraaischijfjes zijn in 1972 niet meer aanwezig, maar nog wel zichtbaar op een foto verderop in dit beeldverslag.
 
 
Een kijkje op de achterzijde van de wagenwerkplaats (links) en locomotievenloods (rechts). Van oorsprong had de 'hoge' loods achter geen enkele deur, totdat in 1931 twee ramen hiervoor moesten plaatsmaken.
 
 
Een kijkje op de achterzijde van de wagenwerkplaats (links) en locomotievenloods (rechts). Van oorsprong had de 'hoge' loods achter geen enkele deur, totdat in 1931 twee ramen hiervoor moesten plaatsmaken. Links buiten beeld ligt de woning van de chef van het tractiedepot. Overigens is die nog steeds aanwezig, maar niet meer in handen van de NS.
 
 
Nog tot ver in de jaren zeventig werden op zon- en feestdagen alle in Roosendaal thuis zijnde locomotieven voor de 'hoge' loods geplaatst om van een welverdiende rust te genieten.
Voor de loods staan op 24 november 1974 de locomotieven NS 2231, 2440, 352 en 645.
 
 
Nog tot ver in de jaren zeventig werden op zon- en feestdagen alle in Roosendaal thuis zijnde locomotieven voor de 'hoge' loods geplaatst om van een welverdiende rust te genieten.
Voor de loods staan op 29 juni 1975 de locomotieven NS 2305, 2502, 237, 284, 538 en 645.
 
 
Nog tot ver in de jaren zeventig werden op zon- en feestdagen alle in Roosendaal thuis zijnde locomotieven voor de 'hoge' loods geplaatst om van een welverdiende rust te genieten.
Voor de loods staan op 29 juni 1976 de locomotieven NS 2246, 2245, 645 en 538.
 
 
Nog tot ver in de jaren zeventig werden op zon- en feestdagen alle in Roosendaal thuis zijnde locomotieven voor de 'hoge' loods geplaatst om van een welverdiende rust te genieten.
Voor de loods staan op 12 september 1976 de locomotieven NS 2328, 303, 2208, 2231, 645 en 538.
 
Na een rondje om het gebouwencomplex, waarbij de tractie in de jaren zeventig niet is vergeten, gaan we naar de jaren dertig met een viertal beelden van het toenmalige werkplaatspersoneel.
 
 
Of het de hele bezetting is van de wagenwerkplaats is onbekend, maar negentien mannen liggen, zitten en staan achter de 'hoge' loods voor een groepsfoto, circa 1935.
 
 
Nogmaals staan negentien mannen zitten en staan rond een as van een goederenwagen in de wagenwerkplaats, circa 1935.
 
 
Een kijkje op de elektrisch aangedreven wielendraaibank in de wagenwerkplaats, circa 1935. Elektrische aandrijving van werktuigen en gereedschappen was mogelijk sinds 1931 na de aanleg van 'krachtstroom', geleverd door de PNEM.
 
 
Achter de wagenwerkplaats zitten en staan twaalf mannen op een door een 'oliemotor' aangedreven hijskraan. De bedoeling van het opschrift is echter onbekend. De op de emplacementstekening uit 1931 zichtbare wagendraaischijfjes zijn ook te zien.
 
Na deze vier beelden uit de jaren dertig keren we terug naar het begin van de jaren zeventig. De NS leed inmiddels jaar op jaar een groter verlies. Vooral in het goederenvervoer werd het vooruitzicht met de dag slechter door de toenemende concurrerentie van het vervoer over de weg en water. Als gevolg daarvan kwamen er steeds meer goederenwagens aan de kant te staan en kon er ook worden geschrapt in het aantal werkplaatsen.
 
De wagenwerkplaats (Wpw) Maastricht was als eerste in april 1973 aan de beurt. Het overtollig personeel kon overstappen naar de naastgelegen lijnwerkplaats in Maastricht. In november 1973 volgde Onnen, waardoor zestien 16 NS'ers hun werk verloren. Open bleven toen nog de wagenwerkplaatsen (Wpw's) Feijenoord, Watergraafsmeer, Roosendaal en Amersfoort.
 
Om toekomstige sluiting van andere werkplaatsen wat op te vangen, kwam Roosendaal in 1973 in aanmerking voor een kleine uitbreiding van het personeel van 22 naar 26 man. Bovendien zou de amper meer gebruikte 'hoge' loods als werkplaats worden ingericht, alleen moest die dan worden voorzien van elektrische verwarming boven de sporen. Zelfs kwam er in Roosendaal een vernieuwde personeelskantine, die op 12 februari 1975 met een feestelijke tintje werd geopend. Maar in dat jaar waren alleen nog Roosendaal en Amersfoort in dienst.
 
 
Kort voor de sluiting van de werkplaats in 1979 poseren Nico Vermeer (rechts) en twee van zijn collega's in de kantoorruimte van de wagenwerkplaats voor fotograaf Frans Verboom. Nico zou zich later heel verdienstelijk maken met hulp aan de Stichting tot Behoud van Af te voeren NS-materieel (StiBANS), die in de Roosendaalse werkplaats mocht werken aan hun eigen rollend materieel. De gang van zaken in het gebouwencomplex na 1979 valt echter buiten het bestek van deze bijdrage.
 
 
Nogmaals een foto van het kantoorpersoneel in Roosendaal, kort voor de sluiting van de werkplaats in 1979.
Nico Vermeer zit rechts.
 
 
Op kantoor zit Nico Vermeer (rechts) met zes van zijn collega's, kort voor de sluiting van de werkplaats in 1979.
Kenmerkend in die dagen is ook de stofjas.
 
In het goederenvervoer ging het echter steeds verder achteruit, zodanig dat het personeelsbestand in Roosendaal in 1977 en 1978 verder werd afgebouwd door overplaatsing naar elders. Begin 1978 had Roosendaal twintig mensen. In augustus 1978 was dat al gezakt tot zestien en een maand later zelfs nog maar dertien. Toen volgde het besluit om de werkplaats in mei 1979 te sluiten, maar door het snelle verloop op eigen initiatief werd de datum vervroegd tot 1 maart 1979. De officiële sluiting bleef echter staan op 10 mei 1979 met een afscheidsbijeenkomst ter plaatse.
 
 
Voor de afscheidsbijeenkomst was iedereen uitgenodigd, voor zover men in oktober 1978 nog in Roosendaal werkte. Er reed zelfs een extra trein van elders naar Roosendaal. Na aankomst op spoor 1b volgde een begroeting van de mannen met hun echtgenoten.
 
 
Vervolgens zette locomotief NS 2417 zich met behulp van een koppelboom tegen de 'Sprinter' en duwde deze naar de werkplaats. Na aankomst tegen half vier 's middags poseert het gezelschap hogere NS'ers dat te maken had met de sluiting voor de fotograaf. Eén van hen is ir. J.W. Boon, de overkoepelend chef van de lijnwerkplaatsen.
 
 
Een laatste foto van de personeelsleden. Daarna werd een rondgang gemaakt door het inmiddels ontruimde gebouwencomplex. Dat was 'een beetje een triest gezicht, maar niettemin realiteit', aldus het personeelsblad De Koppeling van 1 juni 1979. Ir. J.W. Boon ging in een korte toespraak nog even in op de achtergronden die tot de sluiting van Roosendaal hadden geleid. Na de toespraak keerde de trein terug naar het station en daar ging het naar een Chinees restaurant voor een gezellig etentje met een terugblik op de vroegere jaren.
 
Nog in 1979 werd de gehele wagenwerkplaats ontruimd, niet wetende dat de NS een jaar later al onderdak moest gaan bieden voor garantiewerkzaamheden aan haar Sprinter-treinstellen. Van lieverlee groeide dat uit tot nog meer werk, niet alleen het onttakelen van buiten dienst gesteld rollend materieel, maar ook het aanbieden van onderdak aan museumorganisaties voor het opknappen van rijtuigen en treinstellen.
Al na enkele jaren waren zowel de 'hoge' als de 'lage loods' weer volledig in gebruik voor het bij elkaar sprokkelen van een rijdbare presentatie van rollend materieel voor de manifestatie '150 jaar Spoorwegen in Nederland' in 1989. Daarna werd het ontasbesten van treinstellen schering en inslag en werd de werkplaats volledig ontoegankelijk voor onbevoegden.
 
In het midden van de jaren negentig kwam het hele gebouwencomplex weer leeg te staan. Spoedig raakte het in verval. Een strijd om het complex op de Rijksmonumentenlijst brandde los. Die eindigde na een gerechtelijke uitspraak in het nadeel van de NS. Maar dat wilde nog niet zeggen, dat het spoorwegbedrijf één cent zou uitgeven voor een broodnodig herstel.
 
De NS had het gebouw niet meer nodig en in het kader van de privatisering van het Openbaar Vervoer voelde zij zich zeker niet meer verantwoordelijk voor niet meer voor de dienst noodzakelijke oude gebouwen. Uiteindelijk waren het de provincie Noord-Brabant en de Stichting tot Behoud van Industrieel Erfgoed die het gebouw lieten opknappen en verhuurden aan een private partij, die zich bezig hield met het herstellen, wijzigen en schilderen van reizigersrijtuigen en goederenwagens. Een mooiere bestemming was haast niet denkbaar.