Geschiedenis spoorwegen
in en om
Roosendaal

 
 
 

Stootjukken

 
 
Hoe zagen stootjukken er een eeuw geleden uit? Na enig zoekwerk kunnen we stellen dat deze aanvankelijk vaak niet meer waren dan een een enkele dwarsligger of een hoop zand. In het laatste geval heette het een stootheuvel. Deze stootheuvel moest een krachtige stoot kunnen opvangen, maar wel zodanig geconstrueerd zijn, dat herstellingen aan het rollend materieel zonder grote moeite en kosten mogelijk waren. Afhankelijk van de beschikbare ruimte werd het grondlichaam beperkt en de zijtaluds met oude dwarsliggers bekleed. Het gedeelte waar het rollend materieel tegenaan liep heette 'voorscherm'. Dit bestond altijd uit oude dwarsliggers (zonder buffers). Afhankelijk van de kracht van de stoot werd het 'voorscherm' al of niet dieper het zandlichaam ingedrukt. Voor de stootheuvel werd, voor zover er plaats was, een zandbed over de spoorstaven gelegd om de eerste stoot op te vangen. Om ontsporing te voorkomen mocht dit echter niet hoger zijn dan een 10 centimeter.
Stootjukken werden pas gebruikt, wanneer rollend materieel niet mocht doorrijden omdat erachter vaarwater lag of gebouwen stonden. Een beschadiging van de wagens werd dan als een noodzakelijk kwaad beschouwd.
 
 
Aan het einde van het kopspoor in Zevenbergen lag een enkele oude dwarsligger, zoals een ansichtkaart uit circa 1910 ons laat zien.
 
 
Het kopspoor aan de zuidwestzijde van het tweede perron in Roosendaal eindigde in 1907 in een stootheuvel (precies achter het portaal van de seinbrug rechts). Op de foto zijn seinwerkers nog bezig met de montage van de seinen op de seinbruggen.
 
 
Aan de noordoostzijde van het tweede perron lag de stootheuvel met een breed voorscherm er eerder dan de twee kopsporen. Ze moeten nog worden aangelegd. Links zien we een van de portalen van de seinbrug over de sporen 1, 2 en 3, in het midden de waterkolom tussen de sporen 2 en 3, en helemaal rechts de zuidwestelijke hoek van het waterreservoirgebouw.
 
 
Vanuit een van de twee dienstwoningen aan de noordoostzijde van het stationsgebouw kijken we op de begroeide stootheuvel aan het eind van de drie kopsporen bij de douanegoederenloods. Links ligt het eerste perron met de zeer veel beschutting gevende wand (uitge-voerd in ijzeren vakwerk met glas), iets wat op de dag van heden niet meer voor de reizigers wordt gedaan.
De drie deuren (waarvan er maar twee zijn te zien) kwamen in 1926 tot stand. Hierlangs werd tot in de jaren dertig boter afgevoerd, die via de Cooperatieve Zuivel-Export-Vereeniging 'Brabant' (kortweg botermijn, gevestigd in de voormalige bestelgoederenloods van de HIJSM naast die van de SS onder de dienstwoningen) werd verhandeld. Voor dit doel werd een van vier kopsporen verlengd over een afstand van 18 meter. Voordien had de begroeide zandwal dus een breedte van vier kopsporen. In de verte staat links het seinhuis B en in het midden het dienstgebouw op het einde van het eerste perron. De foto werd gemaakt in 1937 door Pieter Penneweert, destijds chef bij de Dienst van het Seinwezen.
 
 
De beide uithaalsporen aan de oostzijde van het emplacement Roosendaal eindigden bij de overweg in Gastelseweg tot in de jaren vijftig in een stootheuvel, die enigszins verstevigd was met oude dwarsliggers. De inzet linksboven betreft het zuidelijk gelegen spoor dat een dertigtal meter eerder eindigde en in 1975 werd opgebroken. Opvallend is dat de wijze van afdekking van de beide hopen zand niet aan elkaar gelijk is.
Links van de overweg stond een bergplaats (ploegkeet) voor de Dienst van Weg & Werken. De houten keet was de verblijfplaats (vooral bij slecht weer) en werkplaats voor een ploeg wegwerkers, die het dagelijks onderhoud en de schouw van het baanvak tussen Roosen-daal en Etten voor zijn rekening moest nemen.
Rechts van de overweg stond wachtpost 24 (km 2,052 Rsd-Bd). De wachtpost dateerde uit 1936 en werd afgebroken in juli 1962, nadat de overweg per 11 december 1961 werd voorzien van een AHOB-installatie (nummer 157 in Nederland). Het pand links voor de overweg behoorde destijds toe aan Heesters Lanbouwmechanisatie. Evenals de boerderij rechts voorbij de overweg bleef het tot op de dag van heden nagenoeg ongewijzigd. De foto dateert uit circa 1955.
 
 
De beide kopsporen aan weerszijden van het stationsgebouw in Woensdrecht eindigden in de jaren dertig in een volledig uit oude dwars-liggers opgebouwd stootjuk.
 
 
Pas in de jaren 1930-1950 kwamen stootjukken, opgebouwd uit oude railstaven (als staanders) en een enkele dwarsligger (als bufferbalk) in zwang. Vaak werd de primitieve bufferbalk rood geschilderd. Hierop waren echter geen buffers gemonteerd. Rechts op de foto zien we de goederenloods aan de Kade, gebouwd in 1887 en afgebroken in mei 1977. In de verte staat de naoorlogse herbouw van het seinhuis A (1946-1978). Links zijn de eerste panden van de Industriestraat te zien. Dit alles moest in 1977 wijken voor het nieuwe Expeditieknooppunt (EKP) van de PTT. De foto is gemaakt op 9 april 1973.
 
 
Duidelijk is de constructie van een stootjuk in de jaren zeventig te zien. Achter de kopsporen ligt de goederenloods (1887-1977), waarin het transportbedrijf Reimann, Stok & Kerkskens (RSK) uit Amsterdam/ Rotterdam (zie inzet) in de jaren zestig nog opslagruimte huurde. De foto is gemaakt op 9 april 1973.
 
 
Dat een stootjuk soms wel degelijk noodzakelijk was, blijkt uit het scheefgeslagen exemplaar aan het eind van het tweede perron (noord-oostzijde). Tot 1972 hield het perron bij het einde van de overkapping op. Zoals elders is te zien, bevond zich op de plek eerst een stoot-heuvel. Deze stootjukken werden vermoedelijk in de jaren 1930-1950 aangelegd. Zij hielden het tot het einde in 1972 uit zonder buffers. Een nog groene 'hondekop' is zojuist als trein van Vlissingen naar Amster-dam vertrokken; het sein op de seinbrug staat op veilig.
Foto uit brochure: 'Roosendaal, a railway town in development', uitgave Gemeeentebestuur Roosendaal, 1966.
 
 
Kijkend op het perron zag je in Roosendaal tot in de jaren tachtig helemaal niets staan. De uit de stad komende reizigers werden tot in de jaren zestig pas kort voor het vertrek van een trein via de ingangs- en uitgangscontrole tot het perron toegelaten.
Doorgaande reizigers op het tweede perron die op hun trein wachtten om over te stappen, werden geacht in de wachtkamer (waarvan de restauratie altijd werd bediend) plaats te nemen. Dat reizigers iets nuttigden op het perron, was niet in het voordeel van de restaurateur en een bank al helemaal niet. Het perron was uitsluitend voorbehouden aan 'lopende reizigers' en rijdende karren voor het in- en uitladen van bagage en poststukken. De foto dateert uit 1907 en is genomen in oostelijke richting.
 
 
Kijkend vanaf de noordoostzijde van het tweede perron zag je op 13 juli 1977 geen enkele bank of reclameplaat.
 
 
Kijkend vanaf de noordoostzijde van het besneeuwde tweede perron zag je op 28 december 1985 in de verte de eerste bankjes staan. Gelukkig waren er nog geen opzichtige reclame-uitingen aanwezig.