Bij ons thuis

op de boerderij

 
Niets uit deze website mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt, door middel van kopie, op digitale of welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van auteur en/of webmaster.
 

Inleiding

 
Al in de jaren zestig stopten in Nederland veel kleine boeren met hun bedrijf. Zij verkochten hun land aan een buurman, die wel wilde of kon uitbreiden. Bij de steeds maar dalende prijzen moesten boeren meer produceren tegen minder kosten, teneinde hun bedrijf in stand te kunnen houden. Het aantal landbouwers in de gemeente Roosendaal nam af van 5,6 procent van de beroepsbevolking in 1960 naar 3,3 procent in 1971. Toch bood een melkveebedrijf in die jaren nog volop kansen.
Maar hoe ging het dan bij ons thuis op de boerderij in het Katteven? Hoe was de gang van zaken op een klein boerenbedrijf en hoe gingen mijn ouders daarmee om? Kort na 1970 zag je namelijk al duidelijk voorlopers en achterblijvers in moderniseringen. Dit was overigens ook sterk afhankelijk van het al of niet hebben van een opvolger in het bedrijf. Maar eerst naar wat geschiedenis van het gebied, verdeeld over drie kaartjes uit 1960.
 
 

Van 'De Galg' naar het Katteven en het Rozenven

 
 
Al sinds mensenheugenis is Roosendaal via de Zundertseweg met het oosten en zuidoosten verbonden. Ten eerste is dat langs de (Hoge) Langendijk (bij de noordoostelijke hoek van Visdonk rechtuit), via de Rucphense Heide en de Posthoorn naar Rucphen. Ten tweede neigt de Zundertseweg vanaf diezelfde hoek op Visdonk in zuidwestelijke richting om vervolgens in een nagenoeg rechte lijn als Roosendaalsebaan over de Rucphense Heide naar Schijf te gaan. Ten derde takt iets ten oosten van de buurtschap 't Hoekske (eertijds 'De Galg') de Achtmaalsebaan van de Roosendaalsebaan af, waarover je dan via de Lange Schouw en de Oude Buissche Heide plaatsen als Achtmaal en Zundert kunt bereiken.
In vroegere tijden werden misdadigers op de Markt ter dood gebracht, waarna het stoffelijk overschot ter afschrikking voor een ieder werd opgehangen aan een galg langs een invalsweg. Logisch dat een splitsing van invalswegen ten noordoosten van Visdonk bij uitstek de plaats was voor de plaatsing van een galg.
De buurtschap 't Hoekske, gelegen op de grens tussen de gemeenten Roosendaal en Rucphen, destijds ver buitenaf in een soort niemandsland, heette tot zo'n halve eeuw geleden op topografische kaarten nog 'De Galg'. Overigens ontstond deze buurtschap als verzamelplaats voor smokkelaars na de afscheiding van België in de jaren 1830-1839 . Vanaf hier kon je al lopend of wadend door de diep gelegen Krampenloop gemakkelijk en ongezien Horendonk bereiken. Aan de smokkelactiviteiten op deze plek kwam in de jaren 1880-1910 een einde, nadat de douane een woning bij 'De Galg' opkocht en daarin jonge commiezen huisvestte onder leiding van een oudere, hoogstwaarschijnlijk minder valide, collega met zijn vrouw.
(Met het zwarte pijltje wordt mijn woonplek sinds 2016 in de huidige wijk Sterrebos aangeduid.)
 
 
Aansluitend aan de vorige kaart zien we de zuidelijke helft van het bosgebied van Visdonk. Het vroegere Snolleven werd in de jaren 1850-1860 drooggelegd en verdeeld in gelijkvormige landbouwpercelen. Het vroegere Katteven was in het begin van de negentiende eeuw al een moerassig gebied en werd alleen met het maken van veel, parallel aan elkaar lopende, sloten in cultuur gebracht als grasland. De grond (of beter gezegd smurrie) uit de gegraven sloten werd gebruikt voor de ophoging van het omliggende land.
Het vroegere Katteven behoorde al vanouds tot het landgoed Visdonk, dat in 1952 bij de gemeente Roosendaal in eigendom kwam.
Opvallend is de naam 'Withonk' (linksboven). Dit was de aanvankelijk gekoz
en naam voor het theehuis 'Visdonk', die niet aansloeg bij het publiek. Met het zwarte pijltje wordt mijn geboorteplek aangeduid. Ten westen hiervan ligt de grens tussen de gemeenten Roosendaal en Rucphen, alsmede een voormalige turfvaart uit de dertiende eeuw die bij 't Hoekske aansloot op de Krampenloop. Duidelijk is ook te zien, dat tussen links en rechts op de kaart 2,5 meter hoogteverschil bestaat, waarbij het Katteven in vroeger tijd zeker zo laag lag als het Snolleven, alleen is dat nooit in de kaart vermeld.
 
 
Aansluitend aan de vorige kaart komen we terecht bij het Rozenven, dat helaas niet is voorgesteld op deze kaart. Dat komt omdat het rond 1960 nagenoeg helemaal was verland. Een feit is dat de grens tussen de gemeenten Roosendaal en Rucphen dwars door het Rozenven loopt, iets wat in vroegere tijden het in cultuur brengen altijd heeft tegen gehouden.
Met het zwarte pijltje wordt de boerderij van mijn overgrootvader Adriaan Potters (1835-1923) aangeduid. Hij kocht in 1873 voor 9700 gulden
in totaal 42 percelen met een oppervlakte van bijna 27 hectare uit het landgoed Visdonk. Hierbij inbegrepen was de bij hem tot 11 november 1874 voor 300 gulden per jaar in pacht zijnde hofstede met omliggende gronden, in totaal bijna 14 hectare,
bestaande uit huis, schuur, erf, moestuin, boomgaard, weiland, bouwland, heide, schaar- en dennenbos, hakhout en uitweg aan de Nederheide. Hij overleed op 88-jarige leeftijd na de val van een ladder naar de hooizolder in de schuur. Tot op de dag van vandaag kunnen zijn nakomelingen hem nog dankbaar zijn voor zijn aankoop.
Overigens is op de kaart ook goed te zien, waar de Krampenloop in vroegere tijd zijn water vandaan kreeg.
 
 

Even voorstellen

 
Slechts vier dagen na mijn achttiende verjaardag ontving ik op donderdag 11 juni 1970 mijn diploma HBS-b (6-jarige cursus). Maar al had ik het diploma op zak, toch betekende dat nog niet dat ik aan een universiteit of hogeschool mocht gaan studeren. Na twaalf jaar naar school gaan, moest ik maar eens werk gaan zoeken. Maar ik heb in mijn hele leven slechts één sollicitatiebrief geschreven, waarna ik 48 jaar lang in dienst was van het Kadaster met als standplaatsen Breda, Apeldoorn, Zwolle, Eindhoven en Arnhem. Van mei 1972 tot en met augustus 1973 was ik er overigens nog zestien maanden tussenuit, vanwege militaire dienst in Amersfoort, Arnhem, Eibergen, Ede en Harskamp.
 
 
De bromfiets die ik voor het succesvol afronden van de schooljaren kreeg, diende voor het plaatselijke vervoer vanuit het Katteven naar het spoorwegstation in Roosendaal, en dat in de eerste helft van de jaren zeventig. Foto van 17 juni 1970.
 
 
Tien maanden eerder, op 13 augustus 1969, had ik in mijn laatste schoolvakantie gewerkt bij Mead-Verpakking. een deel van zuur verdiende centen had ik besteed aan een Kodak Instamatic-133-camera. Achteraf gezien was dit type geen gelukkige keuze, maar als je alles van tevoren wist...! En dat voor een prijs van maar liefst fl. 69,95; dat was toen drie weken werken van acht tot vijf uur.
Ongetwijfeld één van de beste plaatjes van mijzelf uit die tijd,
is die met een putemmer bij een betonnen drinkbak voor de koeien, met op de achtergrond de ouderlijke boerderij. Voordat de bak tot de rand toe vol was, had je heel wat emmers water uit de diepe put geschept. In de zomer kwam dat werk elke dag terug. Niet altijd was ik de pisang, maar toch. De plaat is van augustus 1969 en geeft een mooie illustratie, hoe het er in het boerendbedrijf er soms aan toeging.
 
 

Op de boerderij

 
 
Toch waren mijn ouders niet wars van investeringen om arbeidsintensieve karweitjes zoveel mogelijk te mijden. De koeien konden zich al gauw zelf helpen nadat een automatische drinkbak in het weiland was geplaatst. Om water te drinken, moesten ze met hun kop de hevel van de drinkbak naar achteren duwen, waardoor water uit de nabijgelegen put werd gezogen en de bak instroomde. Foto van 6 september 1970.
 
 
Hoe ging het dan als de koeien van medio november tot medio mei op stal stonden? Wel, al kort na de aansluiting op het plaatselijke waterleidingbedrijf in 1961 werden er in de stal automatische drinkbakken gemonteerd, waardoor mijn ouders voorgoed af waren van het feit dat je tweemaal per dag elke koe na voedertijd een emmer water moest voorzetten. Vanaf toen kon elke koe een lepel in het bakje naast hem naar beneden duwen, waarna er water de bak instroomde. Foto van 13 februari 1977.
 
 
Dat mijn ouders al na de lagere school thuis aan het werk gingen, was in hun tijd gebruikelijk. In 1970 was het bij loontrekkers al mogelijk, dat hun kinderen met een tegemoetkoming in de studiekosten konden gaan studeren. Zo niet bij mensen met een eigen bedrijf. Want dat het bedrijfsvermogen in de land- en tuinbouw diende om inkomsten te vergaren, werd in 1970 nog niet door de overheid als zodanig erkend.
Desalniettemin hadden mijn ouders vanaf 1951 al best wat verdiend in hun gemengd bedrijf met wat koeien, varkens en kippen, dank zij een zuinig beheer en het maken van veel arbeidsuren. Maar dat bedrag staken ze in 1970 liever in het eigen bedrijf of wilden zij gebruiken voor hun eigen opkomende behoeften thuis. Een korte opsomming van hun uitgaven in de jaren 1951-1975 vormt een goede illustratie van deze stelling.
 
De boerderij met aanpalende stal was gebouwd in 1951 en 1952 voor bijna fl. 24.000,--, inclusief een tegemoetkoming van fl. 3500,-- van het ministerie van Wederopbouw. Daarnaast kwam in 1953 voor ruim fl. 1000,-- een houten karhuis tot stand met paardenstal en opslagplaats.
In 1957 werd er elektriciteit aangelegd, in 1959 telefoon en in 1961 waterleiding. De kosten waren uiteraard voor eigen rekening, alleen al voor elektriciteit fl. 700,--. In diezelfde jaren kwam er een opslagloods voor hooi en graan (ruim fl. 3000,--), ter vervanging van twee gammele hooimijten uit de beginjaren, en nog twee kippenhokken (bijna fl. 1000,--).
Nadat in 1962 en 1963 alle hypothecaire vorderingen waren afgelost, kon voor meer gemak en/of comfort worden gezorgd. In 1964 volgde een melkmachine (bijna fl. 1000,--), in 1965 een (tweedehands) auto (bijna fl. 5000,-- inclusief rijlessen), in 1966 een hooihark (bijna fl. 1100,--), in 1967 een wasmachine (!) en een nieuwe stal voor mestkalveren, zeugen, mestvarkens en paard, in plaats van het houten karhuis met paardenstal en opslagplaats uit 1953 (ruim fl. 8000,--), in 1968 een bankstel (bijna fl. 700,--), in 1969 een kunstmeststrooier (bijna fl. 600,--), een televisie (ruim fl. 900,--) en een andere auto (ruim fl. 3500, -- inclusief inruil oude), en in 1970 een partij hout voor het dichtmaken van de loods uit 1958 (bijna 1200,--) en een bromfiets (bijna fl. 500,--).
Na mijn bromfiets volgden in 1971 rubbere stalmatten, zodat de koeien comfortabeler konden liggen (ruim fl. 600,--), in 1972 een bromfiets voor mijn broer (bijna fl. 800,--), in 1973 een oliekachel ter vervanging van de 'plattebuis' (bijna fl. 600,--) en een andere auto (fl. 6900,-- inclusief inruil oude) en in 1975 erfverharding (4500,-- naast een tegemoetkoming van ruim fl. 2600,--).
Los van deze uitgaven werd er nogal wat in eigen beheer gedaan en betaald 'in het zwart', zoals de bouw van een houten stal voor kalveren (1960) en de bouw van een melkstal als aanbouw aan de opslagloods in 1965. Af en toe had mijn vader de aannemer uit 1951-1952 op het erf voor een wijziging of uitbreiding.
Recapitulerend kan worden gesteld dat in 1970 gaan studeren nog niet zo vanzelfsprekend was, als je alles zelf moest betalen, terwijl er thuis nog zoveel te doen was om aan te pakken en te verbeteren, al of niet voor eigen gemak en/of comfort. De eerste twintig jaar hadden mijn ouders nodig gehad om het bedrijf op te bouwen. Pas na 1970 waren ze een beetje op orde gekomen.
 
Bovenstaande foto toont alle gebouwen van de boerderij, vanuit het zuiden. Van rechts naar links staan: huis met stal (1951-1952), stal (1967), kippenhokken (1959-1960), opslagloods (1958) en kalverenstal (1960). Foto van 5 september 1971.
 
 

In het Katteven

 
 
Hoe zag het Katteven er in 1969 uit? In de zomer was het soms een hopeloze zandweg vol kuilen en bulten. Gelukkig lag er een met palen en touw afgescheiden fietspad. De straat is 900 meter lang en telt slechts vier huisnummers: 4 (rechts op 350 meter), 5 en 7 (links op 300 meter), en 1 (links achter de fotograaf). Links van de weg lagen er destijds wat percelen laaggelegen landbouwgrond, en dat was het eigenlijke Katteven. Die grond was eigendom van de gemeente Roosendaal en verpacht aan boeren uit de omgeving. Foto van augustus 1969.
 
 
Nog wat meer met de camera naar links gedraaid, zien we dat het laaggelegen land overhoop is gehaald. Het gaat hier om stadsvuil dat de gemeente Roosendaal vanaf 1967-1968 op haar eigen grond in het Katteven stortte. Daarin lagen, zoals op de kaart van 1960 is te zien, nog lange en brede sloten, met volop vis. Ongetwijfeld werden de pachters van destijds schadeloos gesteld, maar met het terrein dat onder het landgoed Visdonk viel, kwam het nooit meer goed. In de verte (rechts) is de loods te zien, die bij de boerderij op Katteven 7 hoort. Foto van augustus 1969.
 
 
Elf jaar eerder, in 1958, zag het gebied er op een luchtfoto nog uit conform de middelste kaart helemaal bovenaan in deze rubriek. Goed is te zien dat de bossen op Visdonk nog in exploitatie zijn. Linksboven ligt een volledig kaalgemaakt veld. Iets rechts van het midden is het perceel Katteven 1 te zien, waarop toen nog maar een klein arbeidershuisje uit circa 1920 stond. De plaats van de fotograaf op vorige en volgende afbeelding is op deze foto aangegeven met een zwarte stip. Hij kijkt naar het zuidoosten.
 
 
In 1971 lijkt het weiland weer wel in orde, al is die pijp (rechts in het gras) toch wel verdacht. Het was maar 'schone schijn', want vijf jaar later werd hier steenpuin gestort, afkomstig van het afgebroken klooster annex scholencomplex aan de Molenstraat en de Kloosterstraat, alsmede de Sint-Antoniuskerk aan de Brugstraat te Roosendaal.
Bij de ruilverkaveling Nispen-Schijf in de jaren tachtig werd deze grond in plaats van fl. 40.000 per hectare op slechts de helft van dit bedrag geschat. Logisch dat deze grond voor boeren geen waarde meer had. Uiteindelijk kwamen hierop bomen, maar die zijn voor het merendeel al ter ziele gegaan. In de verte liggen de boerderijen op Katteven 5 en 7 (links). Foto van 27 maart 1971.
 
 
Op een luchtfoto uit 1982 is duidelijk te zien, wat er inmiddels is gebeurd. Het vroegere arbeidershuisje was vervangen door een landhuis. Maar alle sloten ten noorden en ten oosten van dit perceel waren bijna allemaal nog aanwezig, in tegenstelling tot alles wat er ten zuiden van lag. Tot in lengte van jaren laten orthogonale (loodrecht genomen) luchtfoto's kleurverschillen zien, waaraan je kunt aflezen of het land vroeger sloten of bebouwing had of niet.
 
 
Nogmaals een blik op de paal van een vorige plaat, maar nu met het bordje 'Katteven'. Anno 2018 staat de paal er nog, alleen niet meer met het bordje. Links ligt de ingang van het perceel Katteven 1. De nauwelijks zichtbare waterloop is na de uitvoering van de ruilverkaveling Nispen-Schijf veel breder en verwerkt heel veel water naar de Krampenloop. Foto van februari 1970.
 
 
Het restant van de vroegere turfvaart uit de dertiende eeuw. Vóór de ruilverkaveling Nispen-Schijf trad die na hevige regenval nog al eens buiten haar oevers. De vaart werd in het kader van de ruilverkaveling veel breder gemaakt en verwerkt heel veel water naar de Krampenloop. De weg rechts heette vroeger 'Eigen Weg' en na de ruilverkaveling 'Snollevendreef'. Foto van 17 mei 1970.
 
 
Een blik op de ouderlijke boerderij vanuit de Snollevendreef, ter plaatse waar de vaart in noordoostelijke richting afbuigt. In de verte ligt de boerderij Nederheide 15. Foto van 25 december 1971.
 
 
Nogmaals een blik op de ouderlijke boerderij vanuit de Snollevendreef, ter plaatse waar de vaart in noordoostelijke richting afbuigt. Maar nu bij hoge waterstand. Foto van 16 november 1974.
In de verte ligt de boerderij Nederheide 15.
Daar woonde mijn overgrootvader Adriaan Potters in 1873, toen hij de hele zaak kocht. Deze boerderij is een nieuwbouw uit 1900 op dezelfde plaats. Voordien stond hier trouwens al een boerderij uit de jaren van vóór 1825. Ook dat was niet de oudste nederzetting, want de oorspronkelijke boerderij lag in een weiland, dat een paar honderd meter noordwaarts ligt (aan het Katteven) en nog steeds bij de familie wordt aangeduid als 'de ouwe warft'. Overigens bracht de Wouwse landmeter J.B. Adan dit gebied in 1785 in kaart en daarop is dit bedrijf dan ook goed te zien. Het gebied vanaf de (Hoge) Langendijk, Rucphense Heide tot en met de Nispense Achterhoek viel destijds onder de 'Heerlijckheid Wouw'. De landerijen werden in die tijd nog bemest met stadsvuil uit de grote steden, getuige de vele stukken van pijpenkoppen en -stelen van aardewerk die je vroeger bij het schoffelen of het 'op één zetten van suikerbieten' tegen kwam.
 
 
Een fragment van de kaart van Wouwse landmeter J.B. Adan uit 1785. Iets rechts van het midden ligt, van noord naar zuid, de weg met de huidige naam 'Katteven', met een doorsteek in zuidelijke richting, die inmiddels al lang is verdwenen. Onderaan, van links naar rechts, ligt de 'Nederheide' met uiterst rechts de nog steeds exact aanwezige slinger, voordat deze de Krampenloop overgaat en in zuidelijke richting afbuigt. Links ligt het voormalige Snolleven en onder (buiten beeld) het Rozenven. (De Rozenvendreef kwam er pas in 1955.) Het Katteven lagten noorden van dit in cultuur gebracht gebied (rechtsboven buiten beeld). Onze voorouders hadden dus precies door op welke gronden je met eenvoudige middelen gewassen kon zaaien en oogsten. Met het bovenste torentje wordt 'de ouwe warft' aangegeven. Het onderste torentje staat voor het huidige perceel Nederheide 21. Het onderste vierkantje staat voor de latere boerderij op Nederheide 15 uit 1900 en het bovenste voor de ouderlijke boerderij op Katteven 4 uit 1951-1952.
 
 
Nogmaals een blik op de wateroverlast vanuit de Snollevendreef bij hoge waterstand. Anno 2018 ligt hier een 'Gedenkbos', waarvan de bomen niet tieren of voortijdig sterven, vanwege de slechte bodemgesteldheid. Foto van 16 november 1974.
 
 

Bij de koeien

 
 
Tegelijk met de komst van de (al of niet coöperatieve) zuivelfabrieken, kort na 1900, ontstond ook het beroep 'melkrijder'. Elk jaar stonden er advertenties in de krant, waarop boeren zich konden inschrijven voor een 'melkroute'. Aanvankelijk gebeurde dat met paard en kar, later met paard en wagen en vanaf de jaren vijftig al vaak met tractor en wagen. Zowel 's morgens als 's avonds, na het melken, dienden zij de melk bij de aangesloten boeren op te halen en naar de fabriek te brengen. Op de terugweg werden de lege melkbussen afgeleverd, echter die van 's avonds heen kwamen pas de volgende ochtend terug. Een beetje route, qua afstand en aantal boeren, kostte nogal wat tijd. Vaak was het dan ook een kleinere boer, die daarmee zijn inkomen kon opvijzelen of één van zijn kinderen daarvoor inzette. Foto van 17 oktober 1976, in het vooruitzicht van de opheffing van het melkveebedrijf.
 
 
Na 1970 gingen de ontwikkelingen steeds sneller in het boerenbedrijf. De zuivelfabrieken gingen op in grotere verbanden en zagen graag 'melktanks' op boerderijen. Voorzien van koeling kon het systeem van melkrijders, zowel 's morgens als 's avonds, worden verlaten en kwam er voortaan om de drie of vier dagen een tankwagen op de bedrijven. Het systeem vergde van de boeren wel een hele investering. En daar hadden mijn ouders toen geen trek meer in.
In 1970 was daarvan nog lang geen sprake, zelfs nog niet te voorzien. Het aantal melkkoeien was van zeven stuks (Bertha, Doca, Antje, Roos, Christien en Iema en Jet) in 1952 slechts langzaam gestegen tot een stuk of tien tot hooguit elf. Daarmee was de stal wel vol, want je had ook nog jongvee. Foto van
17 oktober 1976, in
het vooruitzicht van de opheffing van het melkveebedrijf.
 
 
Het melkvee was steeds de pijler, waarop het bedrijf thuis draaide. Het gaf elk jaar weer het leeuwendeel van de inkomsten. In 1964 kwam er een elektrische melkmachine. Maar met alleen een machine was je er niet, want de hele (winter)stal moest van leidingen worden voorzien en in de zomer liepen de koeien buiten. Je kon ze natuurlijk 's morgens en 's avonds naar de stal halen en daarna weer terug naar het weiland brengen. Alleen was dat wel een gedoe. De oplossing was bijvoorbeeld een verrijdbare melkmachine, draaiend op een benzinemotor, in het weiland waar de koeien liepen. Dat was ideaal voor boeren die hun land nogal verspreid rond de boerderij hadden liggen. Maar bij ons thuis lag alle land aan huis. Als je dan op het erf een melkstal (inclusief leidingen en ruimte voor de elektromotor) liet bouwen, dan kon je daar je koeien melken. Tweemaal per jaar werd de motor van de melkmachine naar en van de melkstal overgezet. Links van de opslagloods uit 1958 staat de melkstal. De koeien staan met hun volle uiers al te wachten op de melkers. Foto van 16 november 1969.
 
 
Daar komen de melkers. Voor het melken van (hooguit) elf koeien had je drie melkbussen, een teems, een paar gewone emmers (voor het namelken), twee melkmachine-emmers met 'koppen' (het eigenlijke machinedeel) en elf veekoeken nodig. Behalve het machinedeel kon je dat alles (weliswaar leeg) op een kruiwagen naar en van de melkstal vervoeren. Foto van 30 juni 1976, in het vooruitzicht van de opheffing van het melkveebedrijf.
 
 
Op 31 maart 1977 reed melkrijder Bart van Hassel voor de allerlaatste maal de 'ochtendmelk' naar de Coöperatieve Fabrieken van Melkproducten 'Het Anker' aan de Oostelijke Havendijk 12 in Roosendaal. Daarmee werd een tijdperk van handwerk afgesloten. De oude melkbussen kon je destijds kopen. Als kinderen van 'melkleverancier 280' kregen we er elk drie. Vele jaren heb ik er één als paraplubak gebruikt, maar inmiddels is ook dat verleden tijd.
 
 
Inmiddels waren bij ons thuis twee kinderen aan het werk en de derde zou spoedig volgen. De noodzaak voor een hoofdmiddel van bestaan, het houden van melkvee, was verdwenen. Niet dat mijn vader ging stilzitten. Voortaan hield hij zich bezig met het mesten van rood-bontvee en 'dikbillen'. Daar was ook goed geld mee te verdienen. Alleen kalveren kwamen wel wat moeilijker ter wereld. Daar moest nogal eens een keizersnede aan te pas komen. In de verte ligt de boerderij op Katteven 5.
Een stierkalf was bij zijn geboorte eigenlijk niets waard, want hij zou nooit uitgroeien tot een melkkoe. Vandaar dat hij werd gemest voor het vlees en dan bracht hij bij de slager vaak wel fl. 1500,-- op. (Al was zo'n zwaargewicht amper meer te leiden, vandaar een ring in zijn neusgaten om hem in bedwang te houden.) Foto van 4 juni 1979.
 
 
In de jaren zestig kocht mijn vader regelmatig een aantal biggen om vet te mesten voor de slacht. In de nieuwe stal uit 1967 had hij enkele hokken laten maken voor steeds zes varkens. Dat leverde eind jaren zestig best veel geld op, zozeer zelfs dat hij in 1969 zelf zeugen ging houden. Alleen al in 1970 werden 40 biggen geboren. Een deel ervan mestte hij zelf vet, een ander deel verkocht hij. Regelmatig moest dan ook één van zijn zeugen naar de buurman op Katteven 5. Ik zie hem nog op een geschikt uur van de dag een zeug met een touw aan zijn poot naar de buurman drijven. Daar mocht zij even kennis komen maken met zijn 'beer', een zware man die wild genoeg was op een vrouwtje en meteen wist wat er van hem verlangd werd. Het ging enkele jaren goed, maar nadat een zeug tijdens het baren van vijftien biggen stierf (en daarmee ook de biggen verloor) liep zijn liefhebberij een flinke deuk op. Toch liet hij zich niet uit het veld slaan, want in 1980 had hij nog steeds één of meer zeugen. Overigens kostte een big van zes weken zo'n fl. 75,--, terwijl een vleesvarken ongeveer fl. 250,-- opbracht. De zeugen hadden bij ons thuis een heerlijk leven, want af en toe mochten ze net als de kippen hun hok uit en op het erf hun kostje bij elkaar scharrelen. Foto van 30 augustus 1970.
 
 

In de winter

 
 
Iedere boer had destijds wel een houtwal om er zijn 'geriefhout' uit te halen. Het hout van stammen werd gebruikt als hoekpaal bij afrasteringen. Van dunne twijgen kon je bezems maken. Verder had een houtwal een rijkelijk insectenleven, met meikevers en al. Dat alles was goed voor de bestuiving van de gewassen. Er is echter weinig meer overgebleven. Veel houtwallen zijn inmiddels geslecht, zoals deze met in de verte de ouderlijke boerderij. Foto van 16 november 1969.
 
 
De winter kon vaak al in november invallen met sneeuw. Zeker in december toonde een mager zonnetje zich vaak in een bijtende koude boven de besneeuwde weilanden en door de bomen. Foto van 10 december 1969 met in de verte de ouderlijke boerderij.
 
 
Op Nieuwjaarsdag 1971 lag er een dik pak sneeuw. Foto van 1 januari 1971 vanaf de huidige Snollevendreef met in de verte de ouderlijke boerderij.
 
 
Op Nieuwjaarsdag 1971 lag er een dik pak sneeuw. Foto van 1 januari 1971 in de bocht van de Nederheide bij de Krampenloop met in de verte de boerderij aan de Nederheide 15. De boom staat er anno 2018 nog steeds.
 
 
Een besneeuwd landschap is mooi om naar te kijken, totdat je er doorheen moet. Was het Katteven in de zomer soms een hopeloze zandweg vol kuilen en bulten, in de winter werd het nog veel erger. Er zat dan niets anders op dan door de weilanden te gaan lopen. De winter is vroeg ingevallen. Foto van 29 november 1969 vanaf de ouderlijke boerderij met in de verte die aan de Nederheide 15.
 
 
Een besneeuwd landschap is mooi om naar te kijken, totdat je er doorheen moet. Was het Katteven in de zomer soms een hopeloze zandweg vol kuilen en bulten, in de winter werd het nog veel erger. Er zat dan niets anders op dan over het fietspad te gaan lopen. De winter is vroeg ingevallen. Foto van 29 november 1969 vanaf de zijweg naar de boerderijen op Katteven 5 en 7 met in de verte de bossen van Visdonk.
Deze foto is destijds gebruikt (samen met de vorige) in een verzoekschrift aan het college van Burgemeester en Wethouders van de gemeente Rucphen om er eens wat aan te doen. En het moet gezegd worden, er kwam binnen twee jaar een verharding op de weg.
 
 
Op Nieuwjaarsdag 1971 lag er een dik pak sneeuw. Foto van 1 januari 1971 van het kalverenhok op de ouderlijke boerderij met ernaast het oud-ijzer, dat wachtte om opgehaald te worden.
 
 
Precies acht jaar later, op nieuwjaarsdag 1979, lag er ook sneeuw, maar was de sneeuw op de weg, die inmiddels voorzien was van een asfaltlaag, door de wind weggewaaid of door het felle winterzonnetje gesmolten.
 
 
Naar links met de camera gedraaid, zijn op dezelfde stralend zonnige middag de boerderijen op Katteven 5 en 7 te ontwaren in een dromerige atmosfeer. Foto van 1 januari 1979.
 
 
Overigens lag er toen op Tweede Kerstdag al sneeuw. Foto van 26 december 1978. Overigens woonde ik op dat moment in Zwolle. Daar viel vanaf 2 januari 1979 een pak sneeuw van enkele decimeters tot een halve meter dikte, zodat het werk in de buitendienst bij het Kadaster meer dan twee maanden lang volledig stil lag en landmeetassistenten om toerbeurt naar huis werden gestuurd, omdat er voor hen op kantoor eenvoudig geen werk meer was. Het was toen de strengste winter sinds 1962-1963. Nadien hebben zich zulke winters niet meer voorgedaan.
 
 

Bij het paard

 
 
Op 25 maart 1965 kocht mijn vader Corrie, een zwarte merrie, voor fl. 1812,50, terwijl hij het oude en versleten paard van de hand deed voor fl. 1325,--. Op zich was dat geen slechte deal, waaruit blijkt dat een trekdier eigenlijk niet zoveel kostte, zeker niet als je vergelijkt met een tractor. En al helemaal niet als je er af en toe nog een veulen van krijgt en dat tegen goed geld kunt verkopen. Terwijl het dier al vaak tevreden is met het afgrazen van het laatste gras in een weiland, wat haver en brokken.
Zowel in 1966 als in 1967 werd Corrie voor fl. 80,-- gedekt. De beide veulens werden voor respectievelijk fl. 600,- en 625,-- verkocht.
In 1968 liet mijn vader Corrie voor de laatste maal dekken, ditmaal met de bedoeling om het veulen aan te houden als haar opvolger, uiteraard weer met de naam Corrie. Moeder en dochter Corrie hadden elkaar lief, zoals blijkt op de foto van augustus 1969 met mijn broers op de voorgrond.
 
 
Vier maanden later laat de nog jonge Corrie zich aanhalen door een kameraad van een van mijn broers. Foto van 7 december 1969.
 
 
Corrie (senior) werd op 19 april 1971 verkocht voor fl. 1800,--. dat was slechts fl. 12,50 minder dan bij de aankoop in 1965. En dan te weten dat ze ook nog drie dochters van fl. 600,-- en meer ter wereld had gebracht. Foto van april 1970.
 
 
Bijna een jaar later is dochter Corrie een bijna volleerd paard. Toch toont dochter Corrie zich best nog als een verlegen jongedame. Een maand later zal haar moeder van het erf afgaan en staat ze er alleen voor. Foto van 14 maart 1971.
 
 
Nog jong en fier komt Corrie met een wagentje bietenloof en haar baas het erf opgedraaid. Foto van 20 november 1971.
 
 
Of Corrie op een zondagmiddag staat te dromen van het werk in de komende week, is niet bekend. Foto van 11 december 1971 met op de achtergrond de ouderlijke boerderij.
 
 
Corrie is nog gehuld in haar wintervacht, maar klaar met ploegen. Nog even de ploeg terug naar huis slepen en dan staat de maaltijd klaar. Foto van 21 februari 1976.
 
 
In latere jaren was er steeds minder werk op de boerderij te doen, alleen af en toe een wagentje met bietenloof van het land afhalen en dat was het dan. Het zal uiteindelijk haar noodlot zijn. Op 3 maart 1986 wordt ze voor fl. 2000,-- van de hand gedaan en verdwijnt ze nog maar zeventien jaar oud van het erf. Foto van 13 oktober 1979.
 
 

Zaterdag en zondag

 
 
Terwijl mijn vader op zaterdagmiddag met Corrie een wagentje bietenloof ophaalt, maakt moeder het hele erf netjes schoon. Pas in de zomer van 1975 kwam er een erfverharding. Foto van 4 december 1971.
 
 
Het eerste televisietoestel (Erres) kwam op 3 november 1969 in huis. Daarvoor werd ruim fl. 900,-- op tafel gelegd, exclusief aanleg en montage van een antenne aan de schoorsteen.
 
 
Precies op haar 52e verjaardag op zondag 14 maart 1971 leest mijn moeder het weekblad 'Boer en Tuinder'. Op de voorpagina staat tot tweemaal toe 'Boeren en tuinders willen óók welvaart'. Heel toepasselijk voor een echtpaar dat eindelijk in staat is om televisie te kijken en een oude plattebuiskachel te vervangen door een oliekachel van fl. 598,--, exclusief aanleg en montage van een olietank. Pas in november 1986 zal bij hen een Philips-kleurentelevisie van fl. 1450,-- worden afgeleverd. Foto van 14 maart 1971.
 
 
Op zondagavond ging mijn vader nog al eens wandelen of 'buurten' bij één van de buren. Foto van 14 juni 1970.
 
 

Honden en katten

 
 
Natuurlijk lag er op het erf een waakhond. Hij verdiende zijn kost met 'aanslaan', wanneer er iemand het erf opkwam. Max was de eerste uit het begin van de jaren vijftig. Na zijn dood kwam in 1965 Breston, een 'tweede-hands' Duitse herder, afkomstig van De Kort aan de Zundertseweg. Hij verstond zijn vak terdege en lag 's nachts ook bij de koeien. Zodra er één onrustig werd (omdat zij bijvoorbeeld een kalf moest baren) sloeg hij alarm. Foto van maart 1970.
 
 
Breston was zeer gehoorzaam. Je kon hem in elke houding laten poseren. Je moest hem echter niet storen in zijn slaap. Dan had hij je wel eens te pakken met een ontvelling aan je hand. Foto van 5 december 1970.
 
 
Na de dood van Breston, kwam Bruno. Hij werd in 1973 gekocht in Antwerpen op de 'Vogeltjesmarkt'. Wild als wat, omdat het een kruising was van een Mechelse herder en een Groenendaler, hield hij het uit tot 1981. Foto van 6 oktober 1973.
 
 
Nadien volgden Boris (1981-1995) en nogmaals een Bruno (1995-2011). Zowel in naam, soort, gedrag en uiterlijk was hij gelijk aan zijn voorganger uit de jaren zeventig. Foto van 4 november 1973.
 
 
Tenslotte nog een foto van vier zwart-witte poezen die al bijna volwassen zijn, maar nog steeds het laatste beetje melk (en warmte, terwijl de zon schijnt) bij hun moeder halen. Foto van 14 augustus 1976.